Jesaja 45:1-7
Mattheüs 22:15-22
Als je zo wat in de bijbel zit te lezen, dan valt het al
snel op dat daarin als heel gangbare voorstelling voorkomt, dat er een
speciale band is tussen de Allerhoogste en beperkte groepen van mensen. Dat
kan een familie zijn—de familie van Abraham, of van David—, het volk Israël,
de volgelingen van Jezus Christus, dat varieert nogal een beetje,
afhankelijk van wie er aan het woord is. Maar hoe dan ook is duidelijk dat
de mensen die de bijbel hebben geschreven het een heel gewone gedachte
vinden dat God om zo te zeggen partijdig is. Hij is meer gesteld op Israël
dan op Egypte, meer op Jeruzalem dan op Rome, en meer op christenen dan op
alle andere mensen.
Dat lijkt in strijd te zijn met een andere gedachte, die je
in de bijbel eveneens veelvuldig tegenkomt, en die voor de meesten van ons
wat natuurlijker en redelijker is. Ik bedoel de gedachte dat God heel zijn
schepping liefheeft; dat hij niemand naar de ogen ziet en in zijn
oordeelsvorming over mensen niet let op rang en stand. Hij heeft Adam
geschapen en in hem ons allen. Hij is de God van heel de wereld, en niet van
bepaalde individuen of groepen.
Daarom mocht ik vroeger thuis nooit “Godzijdank” zeggen, als
een groot geluk was ingetreden of een groot onheil afgewend. God mochten we
alleen heel in het algemeen danken — en voor het eten, natuurlijk — maar
niet voor specifieke gebeurtenissen waar je heel blij mee was, want we
mochten vooral niet denken dat God ons in het bijzonder nu eens een
pleziertje had willen doen. Terugkijkend vind ik nu dat die opvoedkundige
regel op een misverstand berust.
Ik noemde twee voorstellingen: die van Gods voorliefde voor
bepaalde mensen, en die van God als het alle bijzonderheden overstijgende
Opperwezen, God van de hele wereld, de hele kosmos. Let wel: beide
voorstellingen komen in de bijbel voor, en ze zijn ook nog eens allebei
waar, als je ten minste let op de context waarin ze worden gebruikt.
De schrijvers van de bijbel waren mensen, hoe je er verder
ook over denkt waar zij hun inspiratie vandaan haalden, en net als bij alle
mensen was ook voor hen het hemd nader dan de rok. Dat betekent dat zij, net
als iedereen, in hun wereld- en levensbeschouwing begonnen bij zichzelf en
bij de groep waarvan zij deel uitmaakten. “Ik” en “wij” zijn het natuurlijke
centrum van onze waarneming en van de manier waarop wij wat we meemaken,
begrijpen. Daar is niets op tegen en er is trouwens ook niet veel aan te
veranderen, als we dat al zouden willen. Dat mijn “ik” in het midden van
mijn wereld staat, betekent natuurlijk niet dat anderen mijn centrale rol
erkennen en onderschrijven. De ander heeft zijn eigen “ik” en dus ook zijn
eigen midden. Zo vanzelfsprekend als dat klinkt en ook is, zo dikwijls
vergeten we dat. Dat is overigens ook niet zo erg, want als het de spuigaten
uitloopt, is er altijd wel iemand om je uit de droom te helpen.
In Jesaja 45 komen beide gedachten tegelijkertijd voor. God
is de God van de hele wereld, en in die hoedanigheid stuurt hij alle
gebeurtenissen in de wereld, en zo kan het dat hij de koning van Perzië
heeft gestuurd om het Babylonische rijk te vernietigen, een en ander met
geen ander doel dan om Jeruzalem te bevrijden. Dat is een heel krasse
voorstelling, nietwaar: het ene wereldrijk voert oorlog tegen het andere, om
het lijden te beëindigen van een klein stadje in een uithoek van die
imperia. En de God van Israël, die in dat kleine stadje werd vereerd, zou in
dat alles de hand hebben gehad. Onze God is de sterkste, zei de profeet
Jesaja, hij heeft dit grote werk tot stand gebracht.
Een kranig staaltje van “wij”-denken, zou je kunnen zeggen.
Onvoorstelbare legermassa’s trekken tegen elkaar op, moord, brand en
verkrachting op ongeëvenaarde schaal — en al die dingen gebeuren om de
vernedering van Jeruzalem te wreken.
Cyrus, zo heette die koning van de Perzen. En volgens de
profeet was het de God van Israël die tot hem had gezegd: “Kom, ik neem je
bij de hand, ga met mij mee: dan zal ik alle poorten voor je verbrijzelen,
alle muren platgooien en je een ongehoorde buit schenken. Omwille van Israël
heb ik jou uitgekozen om dit te doen.” En dan staat er bij: “ofschoon je me
niet kende.” En nog een keer: “Ik ben de Heer, er is geen ander, ik heb jou
al je wapens gegeven—ofschoon je me niet kende.” Want het was natuurlijk
waar, en de profeet doet geen moeite dat te verbergen, dat de koning van de
Perzen nog nooit van de God van Israël had gehoord toen hij aan zijn
veroveringstocht begon (en daarna misschien ook wel niet). Maar die is het,
“die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil
schept,” die is het, “die al deze dingen doet.”
Dit is het, zegt Jesaja, wat de Heer zei tegen Cyrus, zijn
gezalfde. Dat staat er echt, met zoveel woorden, “gezalfde,” oftewel
Messias, in het Grieks ook wel Christus. “Ik heb je bij je naam genoemd,”
speciaal jou uitgekozen, oftewel “uitverkoren,” zoals dat vroeger heette.
Zelfs als dit nog steeds “wij”-denken is, gebeurt er in dit spreken van de
profeet toch wel iets heel bijzonders. Niet een koning van Juda, geen zoon
van David, maar de heerser van een ver en machtig rijk is de uitverkoren
Messias van God, de koning die Israël bevrijdt. Met die gedachte wordt,
bedoeld of niet, de kring van de eigen groep doorbroken, of althans toch
aanzienlijk wijder getrokken dan voordien. Hij, de Perzische koning, die de
God van Israël niet kent, is toch een van ons. Natuurlijk, de vijanden van
onze vijanden zijn onze vrienden — maar “uitverkoren Messias” gaat volgens
mij toch een stapje verder dan dat pragmatische beginsel.
En nu noem ik een derde voorstelling die tot de hoofdthema’s
van de bijbelse literatuur behoort: de gedachte dat Gods wegen en methoden
meestal andere zijn dan die we vanuit onszelf bedacht zouden hebben. De
wraak op de Babyloniërs wordt niet uitgeoefend door de Judeeërs zelf, maar
door een vreemde heerser. De God van het heelal heeft een onverwacht
instrument gekozen met de bevrijding als resultaat, en dat stemt, nog
voordat je aan dankbaarheid toekomt, in de eerste plaats tot bescheidenheid.
De Perzen hebben de Babyloniërs verslagen, en dat is onze redding. Mag je
dan, vanuit jezelf in het midden, niet toch zeggen: “God zij dank”?
Na de Perzen kwamen de Grieken, en na de Grieken de
Romeinen. En de Romeinen hieven belasting. Dat deden ze niet in het algemeen
belang, maar uitsluitend om er zelf beter van te worden. “Provincie,” zo
noemden ze hun veroverde buitengewesten, “voor de winst,” betekent dat. Pure
uitbuiting, dus. Opnieuw leefde er in Judea en Jeruzalem het verlangen naar
bevrijding en naar de komst van een gezalfde, een Messias, die aan de
onderdrukking een einde zou maken. De tijd en de plaats waarin Jezus leefde,
waren roerig, vol van onrust en opstand, tientallen jaren lang. Voor de
Romeinen echt wat je noemt een hoofdpijndossier, want als al die jonge
mannen voortdurend aan het relschoppen zijn, in plaats van aan het werk, is
dat niet goed voor de lokale economie, en dus niet voor de Romeinse kas.
Toen in het jaar 70 de stad dan ook van de kaart werd geveegd, richtten de
Romeinen een triomfboog op en sloegen munten om dat heuglijke feit te
vieren. Maar zover was het nog lang niet in Jezus’ tijd.
Hij, Jezus, sprak over de verdrukking, over de noodzaak tot
redding en verlossing, over God die binnenkort opnieuw, maar nu voorgoed,
zou ingrijpen om zijn rijk te stichten waarin het lijdende Israël eindelijk
tot zijn recht zou komen. Sommigen beschouwden hem daarom als weer zo’n
Messias als Cyrus, maar dan de laatste, de beste, de definitieve. Of hij
zichzelf ook zo beschouwde, weten we niet, maar we zien wel dat de
evangelist Mattheüs in zijn verhaal over Jezus een nieuwe doorbraak van het
“wij”-denken voltrekt.
Zijn verhaal gaat als volgt. De Farizeeën willen toetsen aan
welke kant Jezus staat: aan de kant van rust, vrede en betrekkelijke
voorspoed, of aan de kant van het oproer en de revolutie. Ze vragen hem
daarom of het naar zijn mening toegestaan is de keizer belasting te betalen,
of niet. Zijn antwoord verbaasde hen, wat erop duidt dat ze hem tot het kamp
van de revolutionairen hadden gerekend. Jezus keert zich niet tegen de
keizer, maar zegt: als de keizer ons geld wil hebben, moet hij dat vooral
van ons aannemen. De belasting van de keizer moet onze zorg niet zijn. Onze
zorg moet zijn of wij aan God geven wat hem toekomt.
Jezus berust in de bezetting, vindt in ieder geval niet dat
burgerlijke ongehoorzaamheid daarop het antwoord is. Het is ook niet zo, dat
hij vindt dat de Romeinse overheersing wel prima is. Zijn punt, volgens
Mattheüs, is dat de keizer voor de manier waarop wij in ons leven moeten
staan, volkomen irrelevant is. De keizer, belasting en geldverkeer behoren
tot de belangen van deze wereld; zij die zulke vragen stellen of daarmee
worstelen, zijn gevangen in de kring van een egocentrische
levensbeschouwing. Hoeveel, denkt u, kan het God schelen of wij al dan niet
belasting aan de keizer betalen? Denkt u dat hij enig voor- of nadeel heeft
van onze beslissing, ons gedrag op dit terrein? Jezus heeft geen oordeel
over de keizer—hij maakt zich zorgen over hoe mensen zich verhouden tot God.
Want die is het die het al bestuurt en uit is op ons heil, ons geluk en
eeuwige welzijn. Wat zou de keizer daaraan willen of zelfs maar kunnen
bijdragen?
In deze tijden van economische crisis, waarvan niemand nog
weet hoe ernstig die zal uitpakken — misschien valt het mee, maar misschien
ook wel niet — maken veel mensen zich zorgen over hun dagelijkse bestaan en
hoe dat er in de nabije toekomst uit zal zien. En dat is alleszins
begrijpelijk. De pensioenen staan onder druk, en ook voor werkenden stijgt
de onzekerheid over hun financiële toekomst. Als de bezuinigingen hard gaan
toeslaan, zal dat ook gevolgen krijgen voor de gezondheidszorg en zelfs de
veiligheid op straat. Deze crisis is een geld-crisis. Of het door de banken
komt, door de overheden of door onszelf weet nu nog niemand, maar het is het
hele geld-systeem dat wordt bedreigd, eenvoudig doordat onduidelijk is wat
ons geld nog waard is. Money makes the world go round, zegt het liedje, en
als er een echte Krach zou komen, gaan we dat terdege merken.
Zorgelijk. Maar zijn dat onze grootste zorgen? Want het is
natuurlijk niet waar, dat de aarde ophoudt met draaien als er geen geld meer
zou zijn. In het evangelie brengt Jezus ons grotere zorgen onder ogen. Hoe
we ten opzichte van de keizer staan, om zo te zeggen, houdt ons dagelijks
bezig; maar hoe we ons verhouden tot God is hooguit iets voor de
zondagochtend, misschien, als we onze gedachten erbij kunnen houden. Stellen
we daarmee de juiste prioriteiten? Dat is volgens mij de essentie van de
wedervraag die Jezus in het verhaal van Mattheüs stelt aan de Farizeeën.
Jezus’ antwoord houdt een sterke relativering in van de
betekenis van de keizer, dat wil zeggen, van de politiek in het algemeen,
ja, van het belang van aardse structuren en hoe wij daarin onze plaats
denken te moeten innemen. Het gaat er niet om hoe wij ons tot de wereld
verhouden, maar hoe wij ons tot God verhouden. Hij is de God van het heelal,
is de schepper van Adam en van ons allen. Hij bemoeit zich niet met de
keizer, dat is voor hem mensenwerk, menselijk gepruts. Maar hij gebruikt de
keizer, en hij gebruikt ons, om zijn liefde voor zijn schepping te tonen.
Onverwachte middelen en instrumenten, om duidelijk te maken dat ons heil
zijn doel is; dwars door het gewone en gewende heen om ons zo nu en dan te
doen verzuchten: “God zij dank,” ook als de opvoeding het ons verbiedt.
Israël en de kerk hebben leren relativeren. Het is geen zoon
van David die Babylon verdrijft, maar een Pers die onze God niet eens kent.
Het is geen opstand die de Romeinse onderdrukking beëindigt, maar de
opstanding van een timmermanszoon uit Nazareth. Het zijn niet de politieke
structuren die ons bedrukken, maar het is onze blikvernauwing die maakt dat
wij denken dat ze er toe doen.
Is dat berusting, wereldverzaking? Dat niet, althans dat
niet alleen. Een snufje minachting voor de wereld en het belang van onze
eigen plaats daarin is goed voor ons allemaal. Maar ondertussen leven we wel
in onze wereld, en dat leven is het alleronverwachtste instrument dat God
gebruikt om ons te laten zien waartoe wij bestaan. Namelijk om ons te leren
wat de grootste kracht in de kosmos is, die geen fysicus kan beschrijven: de
liefde. De liefde ervaren we door mensen, die ons helpen als we het moeilijk
hebben; die ons verwarmen als we het koud hebben; die we vergeten en
verwaarlozen als het met ons goed gaat; en die zich toch weer laten vinden
als we hen nodig hebben. Uitstijgend boven het onmetelijke heelal laat God
ons dit ervaren, speciaal voor u en mij. U en ik, wij zijn elk het midden
van onze eigen wereld, waarin ons onrecht wordt aangedaan en waarin wij
lijden; en waarin we de kracht van de liefde mogen ervaren, zodat we zeggen:
God zij dank. De keizer mag hebben wat hij wil; maar aan God behoren toe
dank en wederliefde, tot hem als ook tot onze naaste.
Amen.