Doopsgezinde en Remonstrantse Gemeente Leiden

 

Preek 16 okt 2011 - dr J. Magliano Tromp (rem.)

 

Naar de startpagina

 

Startpagina Kerkdiensten Nieuws / agenda Concerten De gemeente Preken en gebeden Externe links


PreekstoelJesaja     45:1-7
Mattheüs 22:15-22

Als je zo wat in de bijbel zit te lezen, dan valt het al snel op dat daarin als heel gangbare voorstelling voorkomt, dat er een speciale band is tussen de Allerhoogste en beperkte groepen van mensen. Dat kan een familie zijn—de familie van Abraham, of van David—, het volk Israël, de volgelingen van Jezus Christus, dat varieert nogal een beetje, afhankelijk van wie er aan het woord is. Maar hoe dan ook is duidelijk dat de mensen die de bijbel hebben geschreven het een heel gewone gedachte vinden dat God om zo te zeggen partijdig is. Hij is meer gesteld op Israël dan op Egypte, meer op Jeruzalem dan op Rome, en meer op christenen dan op alle andere mensen.

Dat lijkt in strijd te zijn met een andere gedachte, die je in de bijbel eveneens veelvuldig tegenkomt, en die voor de meesten van ons wat natuurlijker en redelijker is. Ik bedoel de gedachte dat God heel zijn schepping liefheeft; dat hij niemand naar de ogen ziet en in zijn oordeelsvorming over mensen niet let op rang en stand. Hij heeft Adam geschapen en in hem ons allen. Hij is de God van heel de wereld, en niet van bepaalde individuen of groepen.

Daarom mocht ik vroeger thuis nooit “Godzijdank” zeggen, als een groot geluk was ingetreden of een groot onheil afgewend. God mochten we alleen heel in het algemeen danken — en voor het eten, natuurlijk — maar niet voor specifieke gebeurtenissen waar je heel blij mee was, want we mochten vooral niet denken dat God ons in het bijzonder nu eens een pleziertje had willen doen. Terugkijkend vind ik nu dat die opvoedkundige regel op een misverstand berust.

Ik noemde twee voorstellingen: die van Gods voorliefde voor bepaalde mensen, en die van God als het alle bijzonderheden overstijgende Opperwezen, God van de hele wereld, de hele kosmos. Let wel: beide voorstellingen komen in de bijbel voor, en ze zijn ook nog eens allebei waar, als je ten minste let op de context waarin ze worden gebruikt.

De schrijvers van de bijbel waren mensen, hoe je er verder ook over denkt waar zij hun inspiratie vandaan haalden, en net als bij alle mensen was ook voor hen het hemd nader dan de rok. Dat betekent dat zij, net als iedereen, in hun wereld- en levensbeschouwing begonnen bij zichzelf en bij de groep waarvan zij deel uitmaakten. “Ik” en “wij” zijn het natuurlijke centrum van onze waarneming en van de manier waarop wij wat we meemaken, begrijpen. Daar is niets op tegen en er is trouwens ook niet veel aan te veranderen, als we dat al zouden willen. Dat mijn “ik” in het midden van mijn wereld staat, betekent natuurlijk niet dat anderen mijn centrale rol erkennen en onderschrijven. De ander heeft zijn eigen “ik” en dus ook zijn eigen midden. Zo vanzelfsprekend als dat klinkt en ook is, zo dikwijls vergeten we dat. Dat is overigens ook niet zo erg, want als het de spuigaten uitloopt, is er altijd wel iemand om je uit de droom te helpen.

In Jesaja 45 komen beide gedachten tegelijkertijd voor. God is de God van de hele wereld, en in die hoedanigheid stuurt hij alle gebeurtenissen in de wereld, en zo kan het dat hij de koning van Perzië heeft gestuurd om het Babylonische rijk te vernietigen, een en ander met geen ander doel dan om Jeruzalem te bevrijden. Dat is een heel krasse voorstelling, nietwaar: het ene wereldrijk voert oorlog tegen het andere, om het lijden te beëindigen van een klein stadje in een uithoek van die imperia. En de God van Israël, die in dat kleine stadje werd vereerd, zou in dat alles de hand hebben gehad. Onze God is de sterkste, zei de profeet Jesaja, hij heeft dit grote werk tot stand gebracht.

Een kranig staaltje van “wij”-denken, zou je kunnen zeggen. Onvoorstelbare legermassa’s trekken tegen elkaar op, moord, brand en verkrachting op ongeëvenaarde schaal — en al die dingen gebeuren om de vernedering van Jeruzalem te wreken.

Cyrus, zo heette die koning van de Perzen. En volgens de profeet was het de God van Israël die tot hem had gezegd: “Kom, ik neem je bij de hand, ga met mij mee: dan zal ik alle poorten voor je verbrijzelen, alle muren platgooien en je een ongehoorde buit schenken. Omwille van Israël heb ik jou uitgekozen om dit te doen.” En dan staat er bij: “ofschoon je me niet kende.” En nog een keer: “Ik ben de Heer, er is geen ander, ik heb jou al je wapens gegeven—ofschoon je me niet kende.” Want het was natuurlijk waar, en de profeet doet geen moeite dat te verbergen, dat de koning van de Perzen nog nooit van de God van Israël had gehoord toen hij aan zijn veroveringstocht begon (en daarna misschien ook wel niet). Maar die is het, “die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept,” die is het, “die al deze dingen doet.”

Dit is het, zegt Jesaja, wat de Heer zei tegen Cyrus, zijn gezalfde. Dat staat er echt, met zoveel woorden, “gezalfde,” oftewel Messias, in het Grieks ook wel Christus. “Ik heb je bij je naam genoemd,” speciaal jou uitgekozen, oftewel “uitverkoren,” zoals dat vroeger heette. Zelfs als dit nog steeds “wij”-denken is, gebeurt er in dit spreken van de profeet toch wel iets heel bijzonders. Niet een koning van Juda, geen zoon van David, maar de heerser van een ver en machtig rijk is de uitverkoren Messias van God, de koning die Israël bevrijdt. Met die gedachte wordt, bedoeld of niet, de kring van de eigen groep doorbroken, of althans toch aanzienlijk wijder getrokken dan voordien. Hij, de Perzische koning, die de God van Israël niet kent, is toch een van ons. Natuurlijk, de vijanden van onze vijanden zijn onze vrienden — maar “uitverkoren Messias” gaat volgens mij toch een stapje verder dan dat pragmatische beginsel.

En nu noem ik een derde voorstelling die tot de hoofdthema’s van de bijbelse literatuur behoort: de gedachte dat Gods wegen en methoden meestal andere zijn dan die we vanuit onszelf bedacht zouden hebben. De wraak op de Babyloniërs wordt niet uitgeoefend door de Judeeërs zelf, maar door een vreemde heerser. De God van het heelal heeft een onverwacht instrument gekozen met de bevrijding als resultaat, en dat stemt, nog voordat je aan dankbaarheid toekomt, in de eerste plaats tot bescheidenheid. De Perzen hebben de Babyloniërs verslagen, en dat is onze redding. Mag je dan, vanuit jezelf in het midden, niet toch zeggen: “God zij dank”?

Na de Perzen kwamen de Grieken, en na de Grieken de Romeinen. En de Romeinen hieven belasting. Dat deden ze niet in het algemeen belang, maar uitsluitend om er zelf beter van te worden. “Provincie,” zo noemden ze hun veroverde buitengewesten, “voor de winst,” betekent dat. Pure uitbuiting, dus. Opnieuw leefde er in Judea en Jeruzalem het verlangen naar bevrijding en naar de komst van een gezalfde, een Messias, die aan de onderdrukking een einde zou maken. De tijd en de plaats waarin Jezus leefde, waren roerig, vol van onrust en opstand, tientallen jaren lang. Voor de Romeinen echt wat je noemt een hoofdpijndossier, want als al die jonge mannen voortdurend aan het relschoppen zijn, in plaats van aan het werk, is dat niet goed voor de lokale economie, en dus niet voor de Romeinse kas. Toen in het jaar 70 de stad dan ook van de kaart werd geveegd, richtten de Romeinen een triomfboog op en sloegen munten om dat heuglijke feit te vieren. Maar zover was het nog lang niet in Jezus’ tijd.

Hij, Jezus, sprak over de verdrukking, over de noodzaak tot redding en verlossing, over God die binnenkort opnieuw, maar nu voorgoed, zou ingrijpen om zijn rijk te stichten waarin het lijdende Israël eindelijk tot zijn recht zou komen. Sommigen beschouwden hem daarom als weer zo’n Messias als Cyrus, maar dan de laatste, de beste, de definitieve. Of hij zichzelf ook zo beschouwde, weten we niet, maar we zien wel dat de evangelist Mattheüs in zijn verhaal over Jezus een nieuwe doorbraak van het “wij”-denken voltrekt.

Zijn verhaal gaat als volgt. De Farizeeën willen toetsen aan welke kant Jezus staat: aan de kant van rust, vrede en betrekkelijke voorspoed, of aan de kant van het oproer en de revolutie. Ze vragen hem daarom of het naar zijn mening toegestaan is de keizer belasting te betalen, of niet. Zijn antwoord verbaasde hen, wat erop duidt dat ze hem tot het kamp van de revolutionairen hadden gerekend. Jezus keert zich niet tegen de keizer, maar zegt: als de keizer ons geld wil hebben, moet hij dat vooral van ons aannemen. De belasting van de keizer moet onze zorg niet zijn. Onze zorg moet zijn of wij aan God geven wat hem toekomt.

Jezus berust in de bezetting, vindt in ieder geval niet dat burgerlijke ongehoorzaamheid daarop het antwoord is. Het is ook niet zo, dat hij vindt dat de Romeinse overheersing wel prima is. Zijn punt, volgens Mattheüs, is dat de keizer voor de manier waarop wij in ons leven moeten staan, volkomen irrelevant is. De keizer, belasting en geldverkeer behoren tot de belangen van deze wereld; zij die zulke vragen stellen of daarmee worstelen, zijn gevangen in de kring van een egocentrische levensbeschouwing. Hoeveel, denkt u, kan het God schelen of wij al dan niet belasting aan de keizer betalen? Denkt u dat hij enig voor- of nadeel heeft van onze beslissing, ons gedrag op dit terrein? Jezus heeft geen oordeel over de keizer—hij maakt zich zorgen over hoe mensen zich verhouden tot God. Want die is het die het al bestuurt en uit is op ons heil, ons geluk en eeuwige welzijn. Wat zou de keizer daaraan willen of zelfs maar kunnen bijdragen?

In deze tijden van economische crisis, waarvan niemand nog weet hoe ernstig die zal uitpakken — misschien valt het mee, maar misschien ook wel niet — maken veel mensen zich zorgen over hun dagelijkse bestaan en hoe dat er in de nabije toekomst uit zal zien. En dat is alleszins begrijpelijk. De pensioenen staan onder druk, en ook voor werkenden stijgt de onzekerheid over hun financiële toekomst. Als de bezuinigingen hard gaan toeslaan, zal dat ook gevolgen krijgen voor de gezondheidszorg en zelfs de veiligheid op straat. Deze crisis is een geld-crisis. Of het door de banken komt, door de overheden of door onszelf weet nu nog niemand, maar het is het hele geld-systeem dat wordt bedreigd, eenvoudig doordat onduidelijk is wat ons geld nog waard is. Money makes the world go round, zegt het liedje, en als er een echte Krach zou komen, gaan we dat terdege merken.

Zorgelijk. Maar zijn dat onze grootste zorgen? Want het is natuurlijk niet waar, dat de aarde ophoudt met draaien als er geen geld meer zou zijn. In het evangelie brengt Jezus ons grotere zorgen onder ogen. Hoe we ten opzichte van de keizer staan, om zo te zeggen, houdt ons dagelijks bezig; maar hoe we ons verhouden tot God is hooguit iets voor de zondagochtend, misschien, als we onze gedachten erbij kunnen houden. Stellen we daarmee de juiste prioriteiten? Dat is volgens mij de essentie van de wedervraag die Jezus in het verhaal van Mattheüs stelt aan de Farizeeën.

Jezus’ antwoord houdt een sterke relativering in van de betekenis van de keizer, dat wil zeggen, van de politiek in het algemeen, ja, van het belang van aardse structuren en hoe wij daarin onze plaats denken te moeten innemen. Het gaat er niet om hoe wij ons tot de wereld verhouden, maar hoe wij ons tot God verhouden. Hij is de God van het heelal, is de schepper van Adam en van ons allen. Hij bemoeit zich niet met de keizer, dat is voor hem mensenwerk, menselijk gepruts. Maar hij gebruikt de keizer, en hij gebruikt ons, om zijn liefde voor zijn schepping te tonen. Onverwachte middelen en instrumenten, om duidelijk te maken dat ons heil zijn doel is; dwars door het gewone en gewende heen om ons zo nu en dan te doen verzuchten: “God zij dank,” ook als de opvoeding het ons verbiedt.

Israël en de kerk hebben leren relativeren. Het is geen zoon van David die Babylon verdrijft, maar een Pers die onze God niet eens kent. Het is geen opstand die de Romeinse onderdrukking beëindigt, maar de opstanding van een timmermanszoon uit Nazareth. Het zijn niet de politieke structuren die ons bedrukken, maar het is onze blikvernauwing die maakt dat wij denken dat ze er toe doen.

Is dat berusting, wereldverzaking? Dat niet, althans dat niet alleen. Een snufje minachting voor de wereld en het belang van onze eigen plaats daarin is goed voor ons allemaal. Maar ondertussen leven we wel in onze wereld, en dat leven is het alleronverwachtste instrument dat God gebruikt om ons te laten zien waartoe wij bestaan. Namelijk om ons te leren wat de grootste kracht in de kosmos is, die geen fysicus kan beschrijven: de liefde. De liefde ervaren we door mensen, die ons helpen als we het moeilijk hebben; die ons verwarmen als we het koud hebben; die we vergeten en verwaarlozen als het met ons goed gaat; en die zich toch weer laten vinden als we hen nodig hebben. Uitstijgend boven het onmetelijke heelal laat God ons dit ervaren, speciaal voor u en mij. U en ik, wij zijn elk het midden van onze eigen wereld, waarin ons onrecht wordt aangedaan en waarin wij lijden; en waarin we de kracht van de liefde mogen ervaren, zodat we zeggen: God zij dank. De keizer mag hebben wat hij wil; maar aan God behoren toe dank en wederliefde, tot hem als ook tot onze naaste.

Amen.

 

 



Suggesties of opmerkingen mailen? 23-Dec-2011 20:32:54